Uitgelicht: Leen van Leeuwen (A’66)

Uitgelicht: Leen van Leeuwen (A’66)

ROTTERDAM – Leen van Leeuwen heeft gesprekstof, verhalen en anekdotes voor tien edities van de rubriek Uitgelicht. De verzorger van het Rotterdamse Alexandria’66 is het type dat tijdens de zwangerschap niet in vruchtwater, maar in spraakwater lijkt te zijn gegroeid. Zelf speelde hij nooit, maar sleet hij vijftig jaar in de vaderlandse kleedkamers De reeks met vertellingen over zijn loopbaan in het amateurvoetbal lijkt schier onuitputtelijk. Ze gaan over tieten die je op ooghoogte moeten aankijken, brandende zalf onder de balzak, de afscheidswedstrijd van de Kromme, de biefstuk-kuiten van Joop Ruter en als verzorger van Alexandria’66 met een rollator naar een geblesseerde speler lopen. “Rennen mag het namelijk niet meer heten. Het is na vijftig jaar kneden, wrijven en slap ouwehoeren mooi geweest. En ik heb van elke minuut genoten. In de kleedkamer op de vierkante meter is het allemaal nog wel te doen, maar voordat ik tegenwoordig bij een geblesseerde speler in het veld ben aangekomen, is het rust.”

De bulderende lach van Van Leeuwen vult de ruimte. Zijn club speelt dit weekeinde in delft bij GHC en sluit het seizoen voor eigen publiek af tegen RCL. De masseur van Alexandria’66 sluit dan een tijdperk af. Het is volgens de Rotterdammer genoeg geweest. “Het gaat niet meer en het moet niet zielig worden. Ik loop me soms de pleuris om nog met een beetje vaart bij een geblesseerde speler te komen. Daarna moet ik bijna aan de zuurstof. Het moet leuk en niet zielig worden, dus ik stop er mee. Man, ik kom laatste met veel pijn en moeite in het veld bij een goser die een blessure had. Ben ik er bijna, wat denk je? Staat die doodleuk op. Die heb ik de waterzak over z’n kanis getrokken. Ik was buiten adem en die goser stond naar mij te kijken met een smoel wat ik kwam doen. Man, voor mij is de afstand van de dug-out naar de cornervlag tegenwoordig een soort van wereldreis. Dan moeten ze het niet flikken om me voor niks te laten komen.”

Van Leeuwen begon vijftig jaar geleden als masseur bij Progress, de voetbalvereniging van multinational Unilever. “De club op Varkenoord met het mooiste veld van Nederland. Meneer Hoppener was in dienst van het bedrijf en hoefde niets anders te doen dan het complex te onderhouden. Man, dat was geweldig. Dammes van Wilgenburg speelde er toentertijd. Ik was bezig om judoleraar te worden en toen moest je ook kunnen masseren. Vraag niet waarom, maar dat was een eis. Ik lustte in die tijd ook al een borreltje en kwam in de Boomerang Koos Snoeij tegen. Die heeft met als verzorger naar Progress gehaald. Zo ben ik die wereld ingerold. Ik had alleen op straat gevoetbald, dus het is mij een beetje overkomen.” Na het reeds lang ter ziele gegane Progess volgde TDC, HION, SMV, SMVHillegersberg en Alexandria’66. “Man, ik kan over al die clubs een boek schrijven. Niet dat een hond dat gaat lezen, maar het waren stuk voor stuk periodes in mijn leven die ik voor geen goud had willen missen.”

“De gouden tijd van HION, met de familie Slotboom als de grote sponsor. We wonnen de RVB-beker en mochten als prijs een weekend naar Zeist. Frans van der Heijden speelde er toen en Piet de Wolf was de trainer na Freek van der Lee. Tijdens het trainingskamp in Zeist kwam de familie Slotboom even over. Gaf bij binnenkomst een rondje en ik bestelde natuurlijk een koude toeter. Brak compleet de pleuris uit. De trainer over de rooie, want in het boekje had hij geschreven dat er alleen alcoholische versnaperingen mochten worden genuttigd van 22.00 tot 22.30 uur.” SMV was volgens Van Leeuwen met veel jongens van de markt ook een prachtige periode. “De kantine was een veredelde kroeg waar we vaak ‘s nachts pas uitrolden.  Man, wat hebben een pret gehad in die tijd. Geweldig, ik had het allemaal voor geen goud willen missen,” aldus de Rotterdammer met de tongval van Bep van Klaveren. “Ik ben ook nog masseur geweest van het Nederlands artiestenelftal. Jongens als Hazes, Brandsteder en Niehe op de tafel.”

“We speelden de voorwedstrijd van de afscheidswedstrijd van Willem van Hanegem in de Kuip. Ik moest en zou een keer binnen de ijnen komen. Ik had daarom met de inmiddels overleden acteur Hans Boskamp afgesproken dat wanneer er geen blessures zouden zijn, hij zich bewust zou laten vallen en om een behandeling zou vragen. Zo zou ik een keer in mijn leven op het veld van de Kuip staan. De Kuip was bijna vol en verdomd Boskamp acteert de stervende zwaan. De verzorger moest er aan te pas komen. Sjaak Nachtegaal was toen de stadionspeaker en die riep vervolgens: Dames en heren voor het artiestenelftal komt verzorger Leen van Leeuwen binnen de lijnen. Mensen die zwaaiden en mijn naam scandeerden. Geweldig. Boskamp gaf een knipoog en ik ben expres aan de verkeerde kant van het veld afgelopen. In het tempo dat ik nu heb, dus van een bejaarde. Man, wat een geweldige avond was dat.”

Van Leeuwen raakt op dreef. De anekdotes volgen elkaar in rap tempo. “Weet je wat het mooie was van dat Nederlands artiestenelftal. Daar liepen ook wat vrouwen om heen. Daar was er eentje met een stel vreselijk grote tieten. Die vroeg ergens  of ik haar rug ook wilde masseren. Ik zei natuurlijk dat ze dan moest wachten tot de spelers uit de kleedkamer waren. Een van de broers Van Rij wilde dit voor geen goed missen en vertelde haar dat hij in opleiding was en als stagiair er nog even bij bleef. Man, die griet deed haar truitje uit, toen was het nog een feest. Maar toen ze haar bh uit deed, schrok ik mij het lazerus en heb ik gezegd dat de stagiair haar rug wel zou doen. Ik ben een liefhebber van borsten, maar tieten moeten wel in je ogen kijken en niet naar je schoenen.” Van Leeuwen lacht kostelijk, alsof hij het allemaal herbeleeft.

Hij liep in 1989 voor de eerste maal de marathon van New York en reist sindsdien met de Rijnmond-groep jaarlijks naar the Big Apple en een andere stad. “Niet meer om zelf nog 42.195 kilometer te lopen, maar om anderen te verzorgen. Maar de mensen die marathon lopen zijn goed voorbereid, dus dat werk kan ik nog wel aan. Bij Alexandria’66 was het gewoon genoeg. Donderdag bij de training en zaterdag bij de wedstrijd. Vijftig jaar wrijven, kneden en slap ouwehoeren. Het is genoeg, al ga ik de humor in de kleedkamer zeker missen. Maar deze ouwe man gaat op zijn 74-ste met pensioen. Ik ga voortaan lekker bij mijn kleinzoons bij BVCB en Hekelingen kijken. Niemand hoeft zich zorgen te maken. Ik heb van iedere minuut genoten. Ik had het allemaal voor geen goud willen missen.”